Na 1900: Piller’s in Amsterdam.
Op 4 oktober 1911 trouwt Emanuel Piller, een achter-achter-achter kleinzoon van Levi Daniël Piller met Alida Kogel, dochter van Nathan Kogel. Al snel wordt de eerste zoon Leo geboren en in 1915 jaar ziet Suze het levenslicht. Hun zusje Tinie is een nakomertje, ze wordt zeven jaar later geboren.
Emanuel Piller was stoffeerder en werkte op een gegeven moment bij het toneelgezelschap van Royaards in het Paleis van Volksvlijt. Als het toneelgezelschap op tournee ging, reisden Emanuel, zijn vrouw en kind (Leo) mee. Leo herinnert zich dat hij in Arnhem in Park Sonsbeek met zijn moeder heeft gewandeld. Is daarna (einde toneelgezelschap Royaards?) als stoffeerder bij het warenhuis Liberty gaan werken, maar is daar in de crisisjaren ontslagen. Het waren zorgelijke tijden en Leo die toen een jaar of tien was kan zich dit herinneren.

Daarna werkte Emanuel tot aan zijn pensionering bij de Stadsschouwburg als toneelmeester. Woonde de voorstellingen bij en als de collega toneelknechten achter het toneel een kaartje legden, stond Emanuel in de coulissen. Hij kende ook ieder toneelstuk uit zijn hoofd en kon dit thuis naspelen. Leo heeft over zijn ervaringen met de Stadsschouwburg een artikel geschreven in Ons Amsterdam. Een stukje hieruit:
Bij ons thuis had het toneel onze volle belangstelling. Mijn vader had in zijn jonge jaren bij het gezelschap van Willem Royaards en later bij de Stadsschouwburg zoveel toneelstukken beluisterd, dat hij bij passende gelegenheden daaruit citeerde. Wij vroegen hem dan direct waar dat uit was en hielden niet op voordat hij ons de inhoud van het hele stuk verteld had. Gaven we hem een zoen, dan paste daarop een zinsnede uit Shakespeare’s Midzomernachtdroom: "Kus mij, oh kus mij door de spleet dees muur" met als antwoord "lk proef de muur, maar niet uw lippenvuur".
Of wanneer we de buitendeur hoorden tegen etenstijd, dan was het: " Mij dunkt, ik hoor gerucht, daar is een aan de poort", waarop mijn moeder zei: "Godlof, het is mijn man, ik heb zijn stem gehoord." (uit Vondels Gijsbreght van Aemstel).

Paul herinnert zich een sterfscène uit Othello die op de Amstelveenseweg op de sofa voor hem werd gespeeld en kent nog steeds de eerste regels uit de Gijsbreght uit zijn hoofd.

Emanuel's vrouw Alida was naaister en maakte thuis (vermoedelijk) op stukloon het moeilijkste deel van een broek: de gulp. Paul kan zich nog herinneren dat de Amstelveenseweg vol lag met roze, blauwe en gele tule of iets dergelijks voor een decor. Ook heeft Alida de grote gordijnen van de Stadsschouwburg (met de trapnaaimachine) gestikt.

Emanuel is in de oorlog 1914-1918 nooit in dienst geweest, hoewel hij wel was goedgekeurd. In 1917 was het bijna niet meer te vermijden dat hij gemobiliseerd zou worden. Generaal Snijders had aangedrongen op uitbreiding van het toen reeds gemobiliseerde leger. Met de 'motie Marchant' is deze uitbreiding in de Tweede Kamer verworpen en hoefde Emanuel niet op te komen. Ze woonden rond 1920 in de Vrolikstraat.

Emmanuel Piller werd begin 1922 aangesteld als Toneelwerkman aan de Stadschouwburg in Amsterdam voor een weekloon van fl.22,50 per week.  Drie jaar later was dat al bijna het dubbele. Hij zal tot zijn pensionering in 1953 blijven. In het kader van de Wet rechtsherstel  Overheidspersoneel 1946 tellen ook de oorlogsjaren mee want het pensioen is gebaseerd op 30 jaren, 11 maanden en 2 dagen.

Leo herinnert zich: "Wij woonden in 1913 nog op de Vrolikstraat 255 2hoog. Het huis waar we in 1923 kwamen
te wonen, Transvaalstraat 98 '' staat wel op de foto.

Op  een foto staat het Transvaalplein en waarschijnlijk woonde we toen al in de Transvaalstraat. Als we er toen al woonden dan staat Suze en haar moeder Alida op het balkon van nummer 98. Op 1 mei, de dag van de arbeid, voerde de AJC namelijk Volksdansen uit op het plein. Leo schreef over het Transvaalpleintje een stuk voor Ons Amsterdam. Een stukje hieruit:

Al stonden de woningen toen wij er kwamen reeds tien jaar, ze waren toen voor hun tijd nog modern, onder andere met een 'echte' wc. Dat was voor ons gezin iets nieuws en, wat hygiëne betreft, een enorme verbetering, vergeleken met de plee uit de Vrolikstraat. Voor elk gezin dat het pand bewoonde, was er op zolder nog een apart kamertje, maar bovendien op de overloop, die toegang tot de kamertjes verschafte, een gootsteen, reikend tot op de vloer, met een kraan, zodat de huisvrouwen desgewenst daar de was konden doen -hetgeen in ons huis overigens nooit gebeurde.
Als het oudste kind uit het gezin -ik was elf jaar -kreeg ik de zolderkamer toegewezen, zodat ik mij op die jeugdige leeftijd reeds in een eigen kamer kon verheugen en mij op de overloop 's morgens kon wassen. Mijn kamer met ernaast nog een aparte opslagruimte voor brandstoffen, die mijn vader tot werkplaats inrichtte, lag aan de achterzijde van het huis. Aan die kant was een breed plat, dat tevens het dak vormde van onze veranda. Vanuit mijn raam kon ik gemakkelijk en zonder gevaar op het eigenlijke dak klimmen. Dat mocht natuurlijk niet, maar zo kon ik, als er bij de buren op zolder een raam open stond, ongemerkt via hun etage op straat komen, terwijl mijn moeder dacht dat ik aan m'n huiswerk zat.
Onder ons woonde 'de familie Smalhout'. Een van de zonen was Eli en die was tekenaar van beroep. Hij wordt in het boek "Joods Amsterdam" verschillende malen genoemd. Hij heeft mij , hij was een man, ik een jongen van 12 of 13 ook getekend. Die tekening had hij nodig, waarvoor vertelde hij mij niet. Hij heeft later op het Transvaalplein gewoond en is daar getrouwd. Hij is de vader van de bekende professor Smalhout, die in de jaren tachtig heel bekend is geworden en vaak op de TV is geweest.

Het uitbreken van de oorlog.

Leo werd gemobiliseerd en er is een stoere foto waar hij met een machinegeweer over zijn schouder als infanterist klaar staat.




[nog aanvullen]