Jodenvervolging.

Inleiding

Na de inval in mei 1940 zijn al snel maatregelen genomen om de joden vervolging op te starten. Het werkte als een strop die eerst heel langzaam en later steeds sneller werd aangetrokken. In het overzicht zijn de belangrijkste maatregelen die van invloed waren op het persoonlijke leven aangegeven.

Het tijdsverloop van de jodenvervolging  kan worden opgedeeld in 3 perioden:
1. Isolatie;
2. Concentratie, de opstap naar deportatie;
3. Deportatie.

Isolatie
De periode van isolatie loopt van september 1940 tot oktober 1941 toe de “joodse apartheid” werd opgestart. Al heel snel wordt in oktober 1940 de zag. “ariërverklaring” ingevoerd, waardoor een maand later 2500 joodse ambtenaren uit hun overheidsfunctie werden ontheven. De reacties waren gelaten en veel maatregelen worden door de net opgerichte  Joodse Coördinatie commissie en later door de Joodse Raad (uitsluitend voor Amsterdam) uitgevoerd. In het algemeen was de sfeer  in de joodse gemeenschap een van aanvaarde lijdzaamheid en werden daden van openlijk  of heimelijk verzet  afgekeurd omdat deze daden tot represailles konden leiden. Mauthausen als strafkamp was vanaf  1938 in bedrijf
Over het algemeen was de geest van het in augustus 1941 gestarte Joodsch Weekblad, het orgaan van de Joodse Raad  een van berusting:  “joden moesten als zo vaak in het verleden de moed en de kracht opbrengen op hun lot te dragen”.  

Al in oktober 1940 werd voor alle Nederlanders het persoonsbewijs ingevoerd. Het ontwerp voor dit persoonsbewijs en voor de administratieve procedures lagen al een paar jaar klaar en werden door een overijverige Haagse dienstklopper in een razend tempo  gedrukt en gedistribueerd zodat per december 1941 7.177.504 persoonsbewijzen  waren verstrekt. Het persoonsbewijs zat technisch en administratief zo perfect in elkaar dat de vervalsen nauwelijks mogelijk was. Pas aan het eind van de oorlog was het verzet in staat dit persoonsbewijs na te maken. Ook het administratieve deel was zo perfect dat in 1943 de RAF een precisiebombardement in hartje Den Haag uitvoerde op het gebouw waar de ontvangstbewijzen werden bewaard om de administratie te vernietigen.

Concentratie.
Tussen januari en juni 1941 werd de bewegingsvrijheid va Joden verder beperkt. De effectenbeurs, de bioscopen, het bloeddonorschap, het bezit van radio’s, spelen in grote orkesten werd verboden voor Joden, waarbij nog onderscheid werd gemaakt tussen “Füll Jüden” en de rest.

Op 14 mei en 3 juni 1941 werden er in Amsterdam en op Schiphol aanslagen gepleegd. Als represaille werd besloten dat 300 Joodse mannen tussen de leeftijden van 18 en 35 naar het strafkamp Mauthausen  zullen worden getransporteerd. De bedoeling was om 200 Joodse jongeren  voornamelijk Duitse immigranten  uit het werkdorp Wieringenmeer naar Mauthausen te sturen.  De Joodse Raad was behulpzaam bij het opstellen van de lijsten. Toen uiteindelijk bleek dat weinig Joden  op de geleverde adressen aanwezig waren, velen waren  naar aanleiding van de geruchten weggebleven van hun woonadres. Nu werden overal Joden vandaan gehaald: cafés, sportclubs, van de straat, om de gewenste driehonderd  maar vol te maken. De eerst razzia was een feit. Half juni worden de opgepakte razzia-slachtoffers naar Mauthausen overgebracht. Geen van deze 300 keerden terug.

Aan het einde van het schooljaar 40-41  werd bevolen dat per 1 september  Joodse leerlingen op de openbare en bijzondere scholen verdwenen zouden zijn en op nog op te richten  “Joodse scholen” met uitsluitend Joodse leerkrachten te worden geplaatst. Tegelijkertijd ontstond er een tekort aan leerkrachten. Snel werden Joodse werklozen opgeleid tot leerkracht. Ook Leo Piller heeft een korte tijd op een Joodse lagere school les gegeven. Hij schreef daarover een artikel in Ons Amsterdam. Een stukje hieruit.

De Joodse Kweekschool
Om dit verhaal te beperken tot het lager onderwijs, in 1941 bleek dat er in Amsterdam veel meer joodse kinderen dan van origine joodse onderwijzers waren. Ten einde in die lacune te voorzien, werd in december 1941 in Amsterdam de Joodse Kweekschool opgericht, met volledige medewerking van de afdeling Onderwijs van de gemeente Amsterdam. Die afdeling had ook zoveel mogelijk geholpen bij de organisatie van het joodse onderwijs, zowel lager als middelbaar.
Over die Joodse Kweekschool gaat dit verhaal, klein onderdeel als het is van het weinige lief en het vele leed, dat het joodse volksdeel in de bezettingstijd beschoren is geweest.
Schrijver dezes is namelijk leerling geweest op die school en bezit er het in juni 1942 behaalde einddiploma van, een Acte voor Lager Onderwijs, die hem ook na 1945 volledige bevoegdheid zou verlenen op scholen voor lager onderwijs.
Per 1 oktober 1941 kreeg ik ontslag van de bank, waar ik tot dien werkzaam was. Op last van de nieuwe president-directeur van De Nederlandsche Bank, de NSB-voorman Rost van Tonningen, werden toen alle joodse medewerkers uit het bankwezen verwijderd. Ik kreeg wel een aflopende financiële regeling mee, maar ik begreep dat de bezetter mij wel zou weten te vinden voor een of andere tewerkstelling. Toen ik dan ook hoorde dat er een oproep was geweest voor een Spoedopleiding tot onderwijzer op een joodse school greep ik die kans aan.

Leo volgde de spoedopleiding en werd onderwijzer op een Joodse school.

Het diploma en de praktijk
De diploma-uitreiking vond plaats alsof de nieuwbakken juffrouwen en meesters normaal hun plaats voor de klas in het nieuwe schooljaar 1942-1943 zouden kunnen innemen. De tijdelijke aanstelling geschiedde door de afdeling Onderwijs ten stadhuize, die het toezicht op het joodse, evenals het andere onderwijs, uitoefende. De inspecteur voor het lager onderwijs had ons tijdens de opleiding ook bezocht om ons van het officieel karakter daarvan te overtuigen.
Maar hoe anders verliep de praktijk dan wat wij ons van het geven van onderwijs gedacht hadden. Want wanneer je 's middags na vier uur de school verliet, wist je niet, wie er de volgende dag nog aanwezig
zouden zijn, zowel onder de leerlingen als onder het onderwijzend personeel, jezelf inbegrepen. Lopend op weg naar huis -de tram was voor joden niet toegankelijk- moest je nog uitkijken voor wellicht een of andere razzia. Zelf vroeg je je af waar dat les geven toe diende naarmate de klassen kleiner werden.
Ik weet nog heel goed hoe bij het begin van het schooljaar, toen de deportaties nog pas waren ingezet, een jongetje 's morgens vrolijk de klas in kwam en bijna juichend verkondigde: 'Meester, we gaan naar Polen.' Dat was toen nog nieuw, hij was de eerste uit de klas, die het overkwam, en hij beschouwde de reis, die hem te wachten stond, als een avontuur, dat hem uittilde boven de andere kinderen, die hier moesten blijven. De volgende dag was zijn plaats leeg, zoals er daarna zoveel lege plaatsen zouden komen. Daardoor kwam er een teveel aan onderwijzend personeel, zodat de afdeling Onderwijs van de Joodse Raad, aan welke instantie alle verantwoordelijkheid voor het joodse onderwijs per 1 september 1942 was overgedragen, geen klas meer voor mij als invaller over had.
Dit is het droevige verhaal van wat maar een klein en onbetekenend onderdeel vormde van het drama dat zich van de zomer 1942 at in Amsterdam voltrok. En toch, ik zie ze weer voor mij, de volwassen leerlingen van de Joodse Kweekschool, die nauwelijks meer dan een cursusjaar bestond en daarna verdween, zoals zoveel in die tijd verdween. Hoe staren mij die gezichten aan en vragen mij: 'Wat hebben wij misdaan?'

Begin september en later in oktober 1941 worden er razzia’s gehouden in Twente. De tweehonderd opgepakte Joodse  gevangenen worden naar Mauthausen afgevoerd. Toen in oktober en verder de overlijdensberichten uit Mauthausen  begonnen binnen te stromen, werd het publiceren van deze overlijdensberichten verboden.

Inmiddels werd de bewegingsvrijheid van Joden verder beperkt. “voll Jüden “ werd het verboden “om deel te nemen aan openbare bijeenkomsten en gebruik te maken van openbare inrichtingen”. Kwamen Joden in ruimte samen dan waren die verboden voor niet-joden.
De KNVB raakt daardoor  veel joodse scheidsrechters kwijt, maar in een oproep voor nieuwe scheidsrechters stelt de KNVB dat de competitie niet mag stagneren. Eind 1941 worden de Joodse Nederlanders in Amsterdam geconcentreerd.  De deportatie is gestart.

Deportatie

Begin 1942 worden de maatregelen nog verder aangescherpt. De arbeidsinzet wordt voor alle Nederlanders ingevoerd. De Neurenburger wetten worden ingevoerd, waardoor de scheiding Joods/niet-joods binnen de joodse gemeenschap nog verder werd aangescherpt. In mei 1942 wordt de Jodenster ingevoerd en verschijnt de ‘J’ op het persoonsbewijs.

In juni 1942 wordt aangekondigd  dat in ieder geval de “voll Jüden”,  joden met een joodse vader én moeder naar werkkampen in Duitsland zullen worden gestuurd. Inmiddels was op de Wannsee conferentie (februari 1942) beslist dat het hele joodse volk uitgeroeid moest worden.
In eerste instantie wordt niet voldaan aan de quota die de Duitse bezetter stelt. Op 14 juli vinden de eerste gerichte razzia’s plaats zowel in Amsterdam centrun (de Jodenhoek) als in Amsterdam Zuid. In juli en augustus volgen er nog meer razzia’s en om de mobiliteit van de joden  te beperken  wordt het bezit van een fiets verboden (24-06-1942), het bezit van een auto was al drie maanden geleden  verboden.
Omdat ook razzia’s overdag niet het gewenste resultaat brachten, wordt de mobiliteit verder beperkt door een “Sperrtijd” van 20:00 tot 6:00 uur in te voeren en de razzia’s  ’s avonds of ’s nachts uit te voeren. Men kreeg geen oproepen meer  maar werd ’s of ’s nachts vaak door gemeente of rijkspolitie opgehaald.

Vanaf de tweede helft van 1942 is alles er op gericht om de “endlösung” zo snel mogelijk tot een goed einde te brengen. Overal vinden razzia’s plaats en worden mensen op transport gezet naar Westerbork. Men concentreert zich op Amsterdam, maar ook in de provincie worden Joden geconcentreerd en afgevoerd. In oktober 1942 zijn de joodse werkkampen aan de beurt  en eind 1942  wordt het concentratiekamp Vught ingericht voor de Joden uit de provincie. Heel langzaam komt Nederland in verzet, Radio Oranje spoort in juli 1942 aan tot hulp aan Joden terwijl er tegelijkertijd een kerkelijk protest wordt geuit. De deportatie wordt bruut en mededogenloos ingezet. Bekend is de ontruiming van het Joods Krankzinnigen gesticht in Apeldoorn. In  mei 1943  krijgt de bezetter vanuit Duitsland de laatste instructies over  de deportatie naar de concentratiekampen. In juli 1943 vinden de laatste grote razzia’s in Amsterdam plaats; Amsterdam is gezuiverd. Het zal nog tot september duren, dan is Amsterdam “helemaal schoon” (Jüdenrein).  Begin september 1943 rijdt de laatste trein vanuit Westerbork naar Auswitsch en Sobibor. De Endlösung is een feit. Tot eind 1943 waren de gemengde joodse huwelijken buiten schot gebleven maar dan zijn ook deze joden aan de beurt. Zelfs tot in 1944 worden er nog razzia’s gehouden, niet alleen meer op joden maar op “zigeuners en andere asocialen”.

Hoe verging het de familie?
De  Kogel familie was niet erg uitgebreid. In het boek ‘In Memoriam’  worden 8 familieleden genoemd die via Westerbork naar de vernietigingskampen werden afgevoerd. Emanuel Kogel had een dochter Tiny die geestelijk onvolwaardig was. Onderduiken had weinig zin of was heel gevaarlijk. Het hele gezin: Emanuel, zijn vrouw en twee dochters Tiny en Renee zijn via Westerbork naar de vernietigingsskampen afgevoerd.  Ook zijn broer Maurits kon de dans niet ontspringen  en wordt in september 1942 bij een razzia opgepakt. Zijn zoon Nicky heeft zich vrijwillig gemeld toen hij hoorde dat zijn vader was opgepakt. Hij is samen met zijn vrouw en drie kinderen Gonny, Nicky en (dikke) Tiny op een van de laatste transporten vanuit Westerbork afgevoerd en vermoord.

Van de kinderen van Nathan Kogel waren er twee (Abraham en Griet) al voor 1940 overleden.  De andere twee kinderen (Sam en Alida) ontsprongen de dans. Sam heeft het voor elkaar gekregen om een Ariërverklaring te krijgen.
Daarbij moet op een of andere manier een beetje geschoemmeld zijn. In de “Abstammungsverzeichnis” die voor Sam en zijn zoon Johny is gemaakt, blijkt hij niet joods te zijn omdat zijn moeder niet-joods was. Dat zou ook moeten gelden voor zijn broers Maurits en Emanuel. Het heeft hen in ieder geval niet geholpen. Alida Kogel dook onder samen met haar man Emanuel Piller en haar twee dochters.

Bij de Piller's kwam de deportatie veel harder aan. Ten eerste was de familie veel groter en ten tweede was het Joodse bewustzijn veel sterker.  Van de kinderen van Emanuel Leendert  overleven Betje, Mietje, Emanuel, Lea en Sara met hun echtgenoot en kinderen. Jacob en Abraham worden met hun familie gedeporteerd naar Auswitsch en Sobibor. Opmerkelijk en wrang is dat Abraham zijn vrouw en kinderen een half jaar heeft overleefd.

Via Sara Piller (tante Lientje) die inmiddels getrouwd is met Herman (Sjef) van der Ploeg (klik hier voor een beschrijving van zijn zoon Jacques) en in Heerlen woont, zijn er contacten met de illegaliteit. Het is waarschijnlijk dat via  Herman de connectie met het Limburgs verzet (Sjef de Groot, later adjudant van Prins Bernhard) is gelegd. De onderduikadressen kwamen voornamelijk via Sjef de Groot en het Limburgse pastoraat. Via andere kanalen werden in Berkel en Rodenrijs een aantal overlijdensaktes gelicht en konden persoonsbewijzen zonder de “J” worden aangevraagd op naam van de overledene maar met de foto van het piller familielid.

Mietje Piller dook met haar gezin en Lena onder in Berkel en Rodenrijs,  Emanuel Piller dook met zijn vrouw Alida onder in Weert, zijn dochter Tiny in Sittard, Leo vertrok eerst via Leiden naar Heerlen (waarschijnlijk voor zijn nieuwe identitieit) en daarna via Winterswijk naar Geesteren. De reis daar naar toe was redelijk chaotisch en duurde veel langer dan verwacht. Sjef de Groot die het onderduikadres had geregeld maakte zich grote zorgen. Een dag te laat kwam het bericht uit Winterswijk: “het pakje is aangekomen”.
Leo zat van mei tot oktober ’43 bij een keuterboertje in Geesteren. Zijn vrouw Mientje kwam hem daar wel opzoeken. Eind 1943 is hij weer terug in Amsterdam. Mientje had bij een huiszoeking in 1942 verklaard dat Leo al was weggehaald. Daarna is men niet meer terug geweest. Begin 1944 is in de Achillesstraat in Amsterdam waar Leo en Mientje toen woonden de illegale versie van Trouw gestencild. In december ’44 is de illegale drukkerij opgericht  bij Bronkhorst op de NieuweZijds Voorburgwal en werd Trouw daar vervaardigd. Leo zegt zelf dan hij in de vier oorlogsdagen (mei 1940) banger is geweest dan in de volgende vier oorlogsjaren.

Suze is via Delft (studentenhuis) waarschijnlijk via Heerlen in Lichtenvoorde ondergedoken bij Willem en Marie  Smeenk Haar man Joop heeft haar daar een paar keer opgezocht.  Hij had vrijstelling van de arbeidsinzet, maar is in ’43 ook ondergedoken. Na Dolle Dinsdag reden er geen treinen meer vanuit Westerbork. Hoewel deportatie nog wel mogelijk was, werd het risico kleiner (en de euforie hoger). Van geen van de Pillers is exact bekend wanneer ze weer terug kwamen in Amsterdam, maar het zal vermoedelijk de zomer van 1945 zijn geweest.

De overige Piller’s  (…)hebben de oorlog niet overleefd.